• Levensverhaal Théodore Strawinsky 1907 – 1989

  • Back

Met dank aan de Stichting Helicon                                                                   ISBN/EAN 978-90-79780-01-3

Théodore Strawinsky aanschouwt in 1907 in St. Petersburg het levenslicht als oudste zoon van de befaamde componist Igor Strawinsky en diens volle nicht, Catherine Nossenko, met wie hij in 1906 is getrouwd. Vader Igor zou in de twintigste eeuw het landschap van de moderne muziek ingrijpend veranderen. Théodore is vernoemd naar zijn grootvader van vaderskant, een gevierde opera-acteur.

De jonge Théodore is een kind van ouders met zwerversbloed. In 1907 laat zijn vader op het platteland, in Oustiloug, ver weg van de stad, in een uithoek van Volhenië, een zomerhuis bouwen. In 1910 brengt het gezin de zomer door in La Baule, de herfst in Clarens, waar ook het derde kind van het echtpaar wordt geboren en de intermaanden in Beaulieu-sur-mer. Er breekt een periode aan van voortdurend verhuizen: van Oustiloug naar Clarens en daarna weer terug naar Oustiloug, enzovoort, tot 1913. Elke keer gaat bijna letterlijk het gehele huis in de koffers, wat altijd weer een enorme drukte met zich meebrengt, vooral ook omdat altijd een aantal familieleden meereist. Vlak voor het moment van vertrek komt men altijd even samen voor een moment van bezinning: de ‘Prisyest’. Al die bedrijvigheid is het gevolg van de zwakke gezondheid van Catherine, de moeder van Théodore, die lijdt aan tuberculose.

De ‘Prisyest’ van 1913 betekent het afscheid van de geliefde plek in Oustiloug, want ze zullen het nooit meer terugzien. Op het moment van het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bevindt het gezin zich in het neutrale Zwitserland. Door de omstandigheden gedwongen moeten Igor en Catherine en hun gezin hier de oorlogsjaren in ballingschap doorbrengen. De familie woont in deze ongewild lange periode voornamelijk in Clarens bij Montreux. Als het niet meer mogelijk blijkt om de verblijfskosten op te brengen, maakt het gezin dankbaar gebruik van het aanbod van de bevriende dirigent Ernest Ansermet om in zijn villa te gaan wonen – hij is toch voor langere tijd in Lausanne werkzaam.
Théodore’s passie is tekenen. Officieren in vol ornaat en militaire parades, kindertekeningen over de oorlog; een hele map vol. Al deze schetsen uit zijn jeugd worden door zijn ouders met zorg bewaard. Een jaar na het uitbreken van de oorlog verhuist het gezin naar Morges, waar ze de volgende vijf jaren zullen blijven wonen. Deze jaren zijn voor Théodore de belangrijkste van zijn jeugd, zo herinnert hij zich later.

In 1920 komt er een einde aan het verblijf in Zwitserland en vertrekt het gezin naar Frankrijk. In het naoorlogse Europa dienen zich voor Igor nieuwe kansen aan op het internationale muziekpodium. Evenals voor de oorlog blijkt ook deze verhuizing weer een hele onderneming. Opnieuw staan rijen koffers klaar om ingeladen te worden. Op het moment van vertrek vertelt de dertienjarige Théodore aan zijn vader: ‘Ik wil kunstschilder worden.” Igor antwoordt hierop: “Uitstekend, als je maar een goede wordt.” Théodore herinnert zich dit voorval als het ogenblik, waarop er voor zijn gevoel een einde aan zijn jeugd komt.

De Parijse leerschool
De eerste tijd vestigt de familie zich in Bretagne, waar intens genoten wordt van een vakantie aan zee. Na enkele maanden trekt men in ‘Bel Respiro, een prachtig huis in de directe nabijheid van Parijs, dat beschikbaar is gesteld door Coco Chanel. Het gezin profiteert volop van de nabijheid van de Franse hoofdstad. Zijn ouders tronen de jonge Théodore regelmatig mee naar theatervoorstellingen en tentoonstellingen en hij maakt kennis met le tout Paris culturel’. Zijn vader heeft veel contacten in het milieu van de Parijse avant-garde vanwege de opdrachten die hij verstrekt voor ontwerpen van kostuums en decors voor zijn stukken. Zodoende leert Théodore belangrijke kunstenaars als Picasso, Braque en Derain kennen, die de getalenteerde jongeling onder hun hoede nemen. Het spreekt vanzelf dat dit alleen plaats kan vinden in een omgeving, waarin de jonge, aankomende kunstschilder de ruimte krijgt om zich volop te ontplooien. Deze situatie is in het gezin bijna vanzelfsprekend aanwezig, zodat het artistieke klimaat waarin Théodore verkeert vanaf zijn jeugd een sterke invloed op zijn persoonlijkheid en ontwikkeling heeft. Het is vooral zijn vader die hierin een grote
rol vervult door hem aan te moedigen en te stimuleren. Van hem krijgen Théodore en zijn jongere broer, Swiatoslaw, pianolessen, maar zijn ambitie ligt niet in de muziek. Dit in tegenstelling tot zijn broer, die later diverse malen samen met vader Igor concerten verzorgt op tal van plaatsen in de wereld en die zich uiteindelijk in Chicago vestigt als hoogleraar in de musicologie. Théodore voelt zich meer aangetrokken tot de beeldende kunst. Hij voelt intuïtief aan, dat er in de muziek geen plaats lijkt voor een tweede Strawinsky naast Igor de Grote. Vanaf 1924 krijgt hij deskundige adviezen van Braque en Derain. Zij helpen hem om zijn schilderkundige talenten te ontwikkelen en hij onderhoudt ook contacten met Henri Matisse, Braque, die de vorming van de jonge man met grote interesse volgt, wordt door Théodore als zijn ‘meester’ beschouwd.

In het jaar 1925 stapelen de gebeurtenissen zich op. Théodore krijgt difterie een ziekte die hem, net als zijn broer en zusters, gedurende langere tijd aan bed kluistert. Er vindt dat jaar een nog ingrijpender gebeurtenis plaats tijdens een bezoek aan Rome, waar zijn vader een concert dirigeert. Hier vertelt zijn vader hem dat hij sinds enige tijd een verhouding heeft met Vera Soudeikine, een jonge vrouw die hem op zijn concertreizen heeft begeleid. Voor Théodore valt dit moeilijk te aanvaarden, vooral omdat hij een hechte band heeft met zijn moeder. Uiteindelijk heeft hij geen andere keus en treedt hij de nieuwe vrouw in het leven van zijn vader – zij wordt in 1940 zijn stiefmoeder – hoffelijk, maar met enige terughouding tegemoet. Ook Catherine Nossenko leert leven met de situatie. Scheiden willen de echtelieden geen van beiden en als hij thuis is, deelt Igor steeds de echtelijke kamer. Hij kan toch ook niet buiten zijn vrouw en zijn gezin. Het huwelijk houdt dan ook stand tot het overlijden van Catherine in 1939.

Een nieuwe periode breekt voor Théodore aan, als hij zich in 1930 inschrijft voor een cursus aan de Académie André Lhote in Parijs, waar hij zich gedurende de daarop volgende drie jaren verder in de theoretische kant van de schilderkunst bekwaamt. Lhote (1885-1962) geniet in de jaren dertig faam als kunstenaar en criticus en hij schrijft ook kunsthistorische beschouwingen. Hij behoort tot de Parijse laat-kubisten, die een meer collectieve kunst voorstaan en die zich in 1912 verenigen onder de naam La Section d’Or – de Gulden Snede. Later maakt Lhote deel uit van de groep L’Effort Moderne, waartoe onder andere ook Le Corbusier en Fernand Léger behoren. Théodore Strawinsky zal vast en zeker op de hoogte zijn geweest van deze artistieke stromingen, waar zijn leermeester één van de voortrekkers van is. Toch is dit niet van directe invloed op zijn werk, want hij sluit zich in zijn landschappen en portretten eerder aan bij het zogenaamde retour à l’ordre van onder andere Derain. Gedurende deze tijd ontvangt Strawinsky ook zijn eerste opdracht voor het maken van een ontwerp voor een theaterdecor, Loire van André Obey. Het stuk wordt opgevoerd in het Vieux Colombier Theater in Parijs. Langzaam maar zeker verwerft Strawinsky enige bekendheid en worden zijn werken ook buiten Frankrijk tentoongesteld. Daarnaast
ontwerpt hij toneelkostuums en hij verzorgt meerdere boekillustraties, waarvoor hij lovende recensies van de pers krijgt.

Hoewel hij later bekent, niet zo van de sfeer van het theater te houden, maakt Théodore toch ook diverse decors voor uitvoeringen van werken van zijn vader, bijvoorbeeld in 1936 voor ‘Les Noces’ in het Palais des Beaux-Arts in Brussel. Tijdens de invasiemaanden van 1944, hij woont dan al in Zwitserland, werkt hij in Zürich aan het ballet van ‘Petrouchka. Later volgen nog decors voor de opera ‘The Rake’s Progress’ in 1952 in Genève en in 1962 in dezelfde stad voor ‘L’oiseau de Feu.

In 1935 leert hij de jonge boekbindster Denise Guerzoni kennen, dochter van de Zwitserse schilderes Stéphanie Guerzoni. Hij schildert van haar een buitengewoon fraai portret en treedt een jaar later met haar in het huwelijk. Dat is het begin van een relatie die 53 jaar zal standhouden en die getuigt van een onbreekbare liefde tussen de beide echtelieden.
Terug naar Zwitserland

Tijdens het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog verblijven Théodore en Denise in Parijs. Na korte tijd verhuizen zij naar Le Mans, daarna op het eind van 1940 naar Villemur-sur-Tarn in de Haute Garonne. Hier bewonen zij een piepklein huisje, dat zij de bijnaam ‘Het lucifersdoosje geven. Hoewel het dak lekt, wordt dit ongemak rijkelijk goedgemaakt door de opbrengst van een moestuin, die de trots van het jonge echtpaar is. Toch verhuizen ze al spoedig naar een meer comfortabele woning een paar kilometer verderop. Vol vertrouwen zien ze de toekomst onder ogen, maar die schijn bedriegt. In 1941 wordt Théodore, waarschijnlijk vanwege zijn Russische naam, gearresteerd en ondergebracht in een interneringskamp. Denise beweegt hemel en aarde om uit te vinden waar haar man is ondergebracht, om hem van kleding en voedsel te voorzien. Na enige weken weet zij hem vrij te krijgen dankzij de hulp van een bevriende landeigenaar. Die heeft Théodore aangemeld als arbeider die voor het binnenhalen van de oogst nodig is. Na lange tijd en veel inspanning lukt het haar, dankzij bemiddeling van de Zwitserse consul, om voor Théodore, die statenloos is, een visum te verkrijgen. Ze zijn net op tijd weg, want het echtpaar is in de herfst van 1942 nauwelijks veilig en wel in Zwitserland, of de Duitsers bezetten de Vrije Zone in Frankrijk.

Théodore stort zich nu vol overgave op zijn grote passie, het schilderen en ook Denise neemt, eenmaal terug in haar geboorteland, haar oude beroep van boekbindster weer op. Inmiddels heeft Strawinsky als kunstenaar redelijk naam gemaakt. Hij heeft vanaf 1927 diverse tentoonstellingen op zijn naam staan, onder andere in een aantal Parijse salons. Zijn werk bestaat uit schilderijen: stillevens, portretten en landschappen. Deze vrije schilderwerken stelt hij later ook nog ten toon in Parijs, Toulouse, Rome, Milaan, Londen, New York, Zürich, Bern, Lausanne en Neuchâtel.

Tijdens een interview met een journalist in Villemur, voor hun komst naar Zwitserland, blikt Théodore terug op zijn leven vol schilderkunst en muziek en hij wijst hierbij terloops ook op het kippenhok in de tuin, dat onder de hoede van Denise is. Zij reageert hierop met de opmerking: “leder zijn specialiteit: mijn man het stilleven, ik het actieve leven. Maar bij mij gaat er meer mis dan bij hem.” In 1946 neemt het echtpaar een nichtje van Théodore in huis op. Het jonge meisje is wees geworden en heeft enige tijd doorgebracht in een sanatorium om te herstellen van tbc. Enkele jaren later adopteren zij haar.

Hoe groot de bewondering voor zijn vader is, blijkt in 1948 uit een indringende studie over persoon en werk van Igor Strawinsky: ‘le message d’Igor Strawinsky. Théodore beschrijft hem als een zeer gelovig mens, die zichzelf geen geweld hoeft aan te doen om te aanbidden en te bidden. Dit verklaart ook waarom religie in het werk van beide kunstenaars steeds nadrukkelijker naar voren zal komen. Théodore gaat in 1940 over naar het rooms-katholieke geloof, waar hij zich erg toe aangetrokken voelt, zijn vader blijft echter Russisch-orthodox, het geloof waar hij sterk aan gehecht is. De Slavische en orthodoxe wortels, evenals zijn brede culturele interesse, blijken later doorslaggevend voor de vorming van de artistieke persoonlijkheid van Théodore. Dat komt uiteindelijk het meest tot uiting in zijn sacrale kunst. Théodore maakt in het midden van de jaren dertig ook kennis met de katholieke, Thomistische filosoof Jacques Maritain, die zich al vanaf 1919 inzet voor een vernieuwing van de Franse kerkelijke kunst. Die krijgt vooral na de Tweede Wereldoorlog bekendheid onder de naam Dominicaner Art Sacrébeweging. Bekende voorbeelden van Art Sacré zijn de kerk van Le Corbusier in Ronchamps en de Chapelle du Rosaire in St. Paul de Vence van Henri Matisse.

In deze periode begint monumentale kunst een steeds belangrijkere plaats in te nemen in het cevre van Strawinsky. Zijn eerste grote opdracht krijgt hij van Père Couturier: de vervaardiging van twee (H. Theresa en H. Jozef) mozaïeken voor de crypte van de Notre Dame in Assy in de Haute Savoie. Met dit werk schaart Théodore Strawinsky zich in de rij van beroemde kunstenaars die ook aan de inrichting van deze kerk bijdragen, onder wie: Fernand Léger, Jean Lurçat, Georges Rouault, Henri Matisse, George Braque en Marc Chagall. Deze opdracht wordt vervolgd door een olieverfschilderij van Saint Germain voor de Sacré Coeur te Genève en vervaardigt hij ondertussen twee gebrandschilderde ramen voor een kapel in Valais. Vanaf 1950 realiseert Strawinsky een groot aantal andere monumentale werken. Hij vervaardigt muurschilderingen en glasmozaïeken en ontwerpt in 1971 de inmiddels wereldberoemde achtendertig ramen voor de Christus-KoningKerk te Fribourg in Zwitserland. Het jaar daarop jaar aanvaardt hij de opdracht voor de realisatie van een schildering van enorme afmeting op de buitengevel van een kerk te Casale Corte Cerro, in de provincie Verbano-Cusio-Ossola in Italië.

De laatste verhuizing naar een nieuwe woning is in 1953. Dan betrekt het echtpaar hun nieuw gebouwde huis te Genève, dat dan nog in een landelijke omgeving gelegen is. Het omringende park is een oase van rust en geborgenheid, ver verwijderd van het verkeersgewoel. Het wordt een gastvrij thuis voor bezoekers van het echtpaar en Théodore en Denise zullen er de rest van hun leven blijven wonen. Théodore treedt niet graag op de voorgrond en mijdt vaak sociale gebeurtenissen, omdat hem dit al snel te druk wordt. Maar zelden doet iemand vruchteloos een beroep op hem, zeer zeker wanneer zijn medewerking wordt gevraagd voor een goed doel. Zo decoreert hij in 1958 kaarsen die verkocht worden om geld in te zamelen voor gevluchte Hongaarse studenten en stelt hij later een pastel beschikbaar waarvan de opbrengst ten goede komt aan het restauratiefonds van de kathedraal van Genève en hij illustreert Unicefkaarten.

In 1976 wordt Théodore Strawinsky onderscheiden met de zilveren medaille Arts, Sciences, Lettres van de Académie Française. Samen met een pauselijke onderscheiding die hij een jaar later ontvangt, zal dit de enige keer zijn dat hij een aan hem toegekende prijs accepteert.

Het fries

Hoewel Strawinsky al in 1952 een eerste, bescheiden opdracht had gekregen voor een in pastelkrijt uitgevoerd altaarstuk in de kapel van de medische faculteit van de Universiteit Nijmegen, duurt het nog tot 1963 voordat de Lage Landen zijn tweede thuishaven worden. Vanaf dan is hij namelijk werkzaam in diverse kerken in België en Nederland. In 1963 vervaardigt hij een grote wandschildering in de Onze Lieve Vrouw van Fatimakerk te Breda, in 1967 en 1968 apsisschilderingen en een raam in de St. Martinuskerk te Gennep en in 1972 nog twee altaarschilderingen voor datzelfde godshuis. Voor het Benedictijnerklooster in Vaals maakt hij in 1976 een muurpaneel in pastel van St. Benedictus, een jaar later een wandschildering in de abdij Roosenberg te Waasmunster in België en in 1978 vervaardigt hij enkele wandschilderingen in de St. Lucaskerk te Den Bosch. Buiten Zwitserland, Frankrijk en België en een enkele maal Italië werkt Strawinsky dus opvallend vaak in Nederland. Hij maakt in onze dreven ongetwijfeld de meeste indruk door in 1968 de opdracht te aanvaarden voor de vervaardiging van twee friezen van elk 1.20 meter bij 36 meter voor de in 1965 in gebruik genomen Willibrordkerk in Almelo.

Dat Strawinsky het verzoek tot het maken van de wandschildering krijgt, komt door het feit dat hij in 1955 Dom Hans van der Laan (1904-1991) heeft leren kennen, de Benedictijner monnik die de grondlegger is van de Bossche School. De Bossche School is een verzamelnaam voor een geheel van ideeën over architectuur, stedenbouw, meubilair, et cetera. De benaming ontstaat, omdat vanaf 1946 in Den Bosch een cursus over deze vernieuwende architectuur wordt gegeven. Dom Hans van der Laan baseert zich op het zogenaamde Plastische Getal, dat als een visie op architectuur door de cursisten in de bouwpraktijk wordt toegepast. De architect van de Almelose Willibrordkerk, Jan de Jong, neemt al vroeg deel aan deze cursus en hij werkt in de navolgende jaren nauw samen met de monnik/architect Van der Laan, tot aan diens dood in 1991. De Jong wordt door Van der Laan beschouwd als de man, die het werk verder moet ontwikkelen.

Dom Hans van der Laan hecht ook grote waarde aan gewijde kunst en hij brengt dit zelf ook met vele ontwerpen voor meubilair en liturgische gebruiksvoorwerpen in de praktijk. Van der Laan en Strawinsky corresponderen al geruime tijd met elkaar. Dom Hans wordt tijdens het lezen van een artikel van de Zwitserse theoloog Abbé Charles Journet in het tijdschrift Nova et Vetera getroffen door de ideeën van Strawinsky over kunst. Van der Laan ontdekt een grote verwantschap van gedachten. Ongetwijfeld is de Benedictijner monnik meer geïnteresseerd in de opvattingen van de behoudende katholieke kunstschilder Strawinsky dan in vernieuwende kerkelijke kunst, zoals Couturier die voorstaat. Hij verstrekt veel opdrachten aan kunstenaars van naam, die zelf niet vanuit een traditionele rooms-katholieke achtergrond werkzaam zijn. Strawinsky heeft namelijk duidelijk een ander uitgangspunt. Hij onderschrijft de opvatting van de kerk dat de liturgie een verzameling van voorwerpen, gezangen en handelingen is. Daarbinnen is voor de kunstenaar een rol weggelegd, om deze op een herkenbare wijze vorm te geven. De heilige tekens bezitten religieuze waarde, die wordt bepaald door de spirituele dimensie, maar ook door de lading die de artiest aan het werk weet te geven. Hoewel de christelijke artiest in alle vrijheid werkzaam is, dient hij wel de betekenis te herkennen die de kerk toeschrijft aan tekens en symbolen. Strawinsky neemt geen afstand van deze traditie.

Via de Benedictines Xristine van der Meer-de Walcheren komt Dom Hans van der Laan in contact met de kunstschilder. De gelegenheid tot een persoonlijke ontmoeting doet zich voor in de lente van 1955, als Dom Hans samen met zijn broer Jan een studiereis naar Italië maakt. Op de terugreis wordt een bezoek aan de familie Strawinsky in Genève in het reisprogramma opgenomen. Het bezoek overtreft zijn stoutste verwachtingen, zoals hij later in het reisverslag vermeldt: “Ik vond een allerliefst en werkzaam milieu, waar ik mij ogenblikkelijk geheel thuis voelde.”

Door zijn vriendschappelijke relatie met Dom Hans van der Laan, die gebaseerd is op wederzijdse bewondering voor elkaars werk, ontmoet Strawinsky later ook Jan de Jong, Strawinsky raakt in contact met de architect van de Willibrordkerk in Almelo, omdat bij het ontwerp van die kerk ook nog is voorzien in een wandschildering. Kort hierop brengt Strawinsky een bezoek aan de kerk en hij raakt onder de indruk van de unieke soberheid en puurheid van het gebouw. Dom van der Laan, de monnik en architect van de Sint Benedictusabdij in Vaals, heeft gedurende een bijna veertig jaren durende zoektocht een visie op kerkelijke kunst en vormgeving ontwikkeld, die door
Jan de Jong in het ontwerp voor de kerk in Almelo is toegepast en die de kunstenaar Strawinsky met volle overtuiging onderschrijft. Het zal voor hem dan ook zeker geen moeilijke afweging zijn geweest, om de opdracht te aanvaarden voor het vervaardigen van twee friezen van elk zesendertig meter, die op vijf meter hoogte langs de beide zijwanden het interieur moesten gaan sieren met taferelen uit het leven van Jezus. Dit krijgt overigens niet zonder slag of stoot zijn beslag, omdat de dertigduizend guldens die hiervoor aan de schilder dienen te worden vergoed volgens enkele parochianen beter aan charitatieve doelen kunnen worden besteed. Het kerkbestuur isechter een andere mening toegedaan, ook al omdat bij het ontwerp van het gebouw in deze verfraaiing was voorzien. Een paar genereuze giften maken echter snel een einde aan het meningsverschil en de kritiek verstomt, zodat Strawinsky thuis in Genève aan een ontwerp kan beginnen dat volkomen zal aansluiten bij de architectuur van Jan de Jong. Dat uit de contacten tussen Strawinsky en Dom Hans van der Laan niet nog meer opdrachten volgen, zal ongetwijfeld te maken hebben gehad met het feit dat hij een relatief dure’ kunstenaar zal zijn geweest. Ook zal de soberheid van de wederopbouwjaren een rol van betekenis hebben gespeeld. Wel kan het opvallend worden genoemd, dat de meeste schilderingen van Strawinsky dateren van ná deze periode, als er blijkbaar wel geld beschikbaar is voor het verstrekken van opdrachten aan kunstenaars. Tegelijkertijd echter, zet de deconfessionalisering verhevigd door en lopen de kerken verder leeg.

Voorafgaande aan het eigenlijke werk in de Almelose kerk bezoekt Strawinsky een aantal malen Dom van der Laan in de abdij te Vaals en Jan de Jong in diens woonhuis te Schaijk. Tijdens deze ontmoetingen zal ongetwijfeld de vormgeving van de wandschildering onderwerp van gesprek zijn geweest waarbij de kunstschilder zijn eerste ontwerpen zal hebben getoond. In de herfst van 1968 kan dan werkelijk een begin worden gemaakt met de vervaardiging van de wandschildering, waaraan Strawinsky gedurende een periode van ruim drie maanden op een hoge steiger werkt. Deze periode kent slechts een korte onderbreking, als hij met Denise terug naar Zwitserland gaat voor een andere opdracht. Begin februari 1969 begint Strawinsky aan het laatste deel van de wandschildering in Almelo.

Het fries in de Almelose kerk bestaat uit vijfentwintig voorstellingen uit het leven van Jezus, aan de zuidzijde van de kerk dertien en aan de noordzijde twaalf. Op verrassende wijze rijgt Strawinsky de afzonderlijke taferelen aan een tot twee doorlopende beeldreeksen, die zonder merkbare onderbreking in elkaar overlopen in een fraai, duidelijk ritme. De wijze van schilderen is bijzonder geraffineerd. Strawinsky ontwerpt en schildert vanuit een eigen vormspraak, ingegeven door religieus respect. Zijn stijl ligt tussen het figuratieve en het abstracte, waardoor veelal een suggestief resultaat ontstaat en er een interactie tussen waarnemer en kunstwerk tot stand kan komen. De intensieve, maar nergens uitbundige kleur brengt een harmonie tot stand tussen het kunstwerk en de sobere architectuur van het kerkgebouw, een perfecte samenklank van ritme en schildering. Strawinsky komt met dit fries door sterk terughoudend kleurgebruik meer in de richting van de monochromie. In het middelpunt van zijn kleurcompositie staat het wit voor de reine, centrale Jezusfiguur, het zwart staat voor het satanische, het roze voor het decor en het okergeel prijkt daartussen. De wandschildering is bijzonder levendig van opzet, met raakvlakken aan de traditionele uitdrukkingswijze, maar dan door de kunstenaar met vrijheid toegepast. De taferelen beginnen met de doop van Christus in de Jordaan en eindigen met het Laatste Avondmaal, met daartussen het verblijf in de woestijn, de roeping der aposiden, het wonder tijdens de bruiloft te Kana, de genezing van de melaatse, de Bergrede, de barmhartige Samaritaan, de overspelige vrouw, de intocht in Jeruzalem, de voetwassing, enzovoorts. Onder de afbeelding van de doop in de Jordaan staat de datering: “ANNO DOMINI MCMLXVIII” en onder de afbeelding van het Lam Gods prijkt uiterst rechts op de noordelijke wand “THEODORE STRAWINSKY PINXIT”

Nog voordat het gereed is, trekt het kunstwerk zowel in binnen- als buiten land de aandacht. De muurschilderingen zijn geen ‘fresco’s die nat in nat op kalk geschilderd worden. Strawinsky kiest voor een werkwijze waarbij eerst een ondergrond wordt aangebracht op het metselwerk en daarop legt hij de schildering.

Tijdens de werkzaamheden is zijn vrouw Denise steeds aanwezig en maakt zij voortdurend foto’s van de vorderingen. ’s Avonds in hun hotelkamer worden de resultaten aan een nauwgezet onderzoek onderworpen. Theodore Strawinsky is zich er immers zeer van bewust, dat hij een naam heeft hoog te houden, iets wat de meeste andere beeldende kunstenaars niet als een extra last mee hoeven te dragen. Als hem wel eens gevraagd wordt, of hij het lastig vindt om de zoon van een beroemde vader te zijn, of dat het juist voordelig is, antwoordt hij: “Ik heb gelukkig niet hetzelfde vak als mijn vader. Voor mij heeft het wel voordelen. Ik wil echter maar één ding, namelijk met
mijn werk het geloof dichter bij de mensen brengen.” Strawinsky meent dit oprecht, hij zoekt uitsluitend erkenning voor zijn eigen scheppingen. Dat komt voor mensen die hem goed kennen zeker niet als een verrassing.

Strawinsky vertelt tijdens een gesprek met een journalist van een Almelose krant, dat het werk in de Willibrordkerk hem niet alleen als scheppend kunstenaar aantrekt, maar vooral ook als gelovig mens: “Met mijn werk zoek ik ook altijd naar een volkomen aanpassing aan de architectuur om de kerksfeer zuiver te houden. Ik wil de kerkmuur als muur bewaren, zeker in deze kerk die ik architectonisch enorm bewonder.” De moderne, maar voor iedereen begrijpelijke schilderstijl van Strawinsky is van eenzelfde zuiverheid. De bekende kunstkenner Daniël Rops van de Académie Française is, evenals vele anderen van naam, van mening dat Théodore in zijn monumentale werk in Almelo aan de verwezenlijking van zijn parool is toegekomen.

Gedurende de maanden dat Strawinsky aan zijn schepping werkt, slaan pastoor Buyvoets van de Willibrordkerk, het kerkbestuur en vele andere belangstellenden met bewondering de vorderingen gade. Het kunstwerk trekt ook al snel de aandacht van de Nederlandse kunstpers. Vele publicaties in landelijke dagbladen en tijdschriften volgen. Zonder uitzondering zijn de kunstcritici het eens: het kunstwerk in de Almelose Willibrordkerk is van een indrukwekkende grootheid. Allen die Strawinsky gedurende deze periode ontmoeten, voelen onmiddellijk sympathie voor deze zachtmoedige en beminnelijke man. De kunstcriticus Cornelis Basoski schrijft in 1969 in
Dagblad Tubantia: “Ik ben er van overtuigd dat Strawinsky met dit geloofsmonument een daad heeft verricht die ver uitgaat boven de gewone muurschilderingen en de zogenaamde religieuze kunst. Strawinsky had de dramatiek van de moderne kunst in het fries kunnen verwerken. Ook had hij de weg van de nieuwe realisten (o.a. Bernard Dubuffet) kunnen inslaan. Hij heeft opzettelijk elke stijl of stroming verlaten omdat het kunstwerk in dat geval anders tijdgebonden zou zijn. De tijd slaat de bladzijden van de kunst snel om.” De inwijding van het kunstwerk, op 16 maart 1969, werd een stijlvolle plechtigheid. Het Zwols Madrigaalkoor vertolkte onder meer enkele werken van Igor Strawinsky. Op deze gedenkwaardige avond ontbrak het slechts aan één ding, het voorstellen van de schepper van het indrukwekkende kunstwerk. Op de convocatie stond vermeld, dat ook de kunstschilder in persoon aanwezig zou zijn. Dat was hij inderdaad, maar niemand die hem zag, deze onopvallende, bescheiden mens.

In 1989 heeft Michel van der Plas nog een uitgebreid vraaggesprek met Strawinsky in het huis aan de Chemin de Florence in Genève. Het zal worden gepubliceerd in het boek Zonen en dochters’ (Bosch en Keuning, Baarn, ISBN 90 246 4664 2). Beide mannen hebben een indringend en openhartig gesprek, dat twee ochtenden zal duren. Strawinsky is op dat moment al anderhalf jaar nagenoeg blind en zwak van gezondheid. Schilderen of tekenen kan hij niet meer en juist dat is voor hem altijd de essentie van zijn bestaan geweest. Het interview vermoeit hem zichtbaar en hij vertrouwt Van der Plas dan ook toe: “Dit is mijn laatste jaar. Ik wil slapen.” Nog hetzelfde jaar overlijdt de kunstenaar. Hij wordt begraven op het Russische kerkhof Sainte-Geneviève-des-Bois in Parijs, waar eerder al zijn moeder, zijn zuster en zijn grootmoeder van vaders zijde hun laatste rustplaats vonden.

Het conserveren van het fries

In 2002 wordt bekend gemaakt, dat de woningbouwcorporatie St. Joseph uit Almelo de drie R.K. kerken in Almelo-Zuid zal aankopen. Op de plaats van de Willibrordkerk is een appartementencomplex gepland en de kerk zal daarom op korte termijn worden afgebroken. Als hierover definitief een besluit is genomen, staat de woningbouwcorporatie, die niet alleen de eigenaresse van het gebouw maar ook van het hierin aangebrachte kunstwerk is geworden, voor de prangende vraag, wat er met de tweeënzeventig meter lange wandschildering van Strawinsky moest gebeuren. Men wint advies in bij het Instituut Collectie Nederland en raakt al snel overtuigd van de waarde van de schilderingen: ze zullen behouden worden, door ze af te nemen. Dit gebeurt volgens de zogeheten strappo-methode. De opdracht hiertoe krijgt het restauratieatelier De Manenstegell BV uit Deventer.

In oktober 2004 beginnen medewerkers van het restauratieatelier op een steiger met de klus, die enkele maanden in beslag zal nemen. Allereerst nemen de restauratoren een proef om te kijken of de gekozen methode ook het gewenste resultaat geeft. Als dit inderdaad het geval blijkt, kan het echte werk van start gaan. Men begint met het schoonmaken van het kunstwerk, dat gedurende vijfendertig jaar blootgesteld is geweest aan de walm van vele brandende kaarsen. Daarna wordt de schildering behandeld met ‘colette, een Italiaanse lijm die in water oplosbaar is. Vervolgens plakt men er een laag van kleine lapjes kaasdoek op, waarna er op de naden nog een laag linnen overheen komt. Na een droging van twee weken kan worden begonnen met het daadwerkelijke afnemen van de schildering. In gelijke delen wordt vervolgens het doek, dat op het kunstwerk is geplakt doorgesneden, waarna het zonder grote problemen van de muur kan worden afgenomen. De schildering zit nu achterstevoren op het aangebrachte doek. Nu volgt er een arbeidsintensief en secuur karwei, namelijk het verwijderen van het op de achterzijde van de schildering vastgehechte steengruis dat van de muur is meegekomen.

Als ook deze klus is geklaard, verlaat de schepping van Théodore Strawinsky het kerkgebouw waar het bijna veertig jaar deel van heeft uitgemaakt. Medewerkers brengen het over naar het restauratieatelier in Deventer. Hier vindt het volgende deel van het karwei plaats, het overzetten op een nieuwe drager. Ook dit verloopt geheel volgens plan, waarna de tijdelijke beplakking weer verwijderd kan worden door intensief te spoelen in een speciaal bad. Ten slotte moeten nog enkele kleine plekjes geretoucheerd worden. De restauratoren blikken met voldoening en terechte trots terug op het bereikte resultaat, want de gehele operatie is bijzonder geslaagd te noemen. Het verlies bleek minder dan één procent. Het kunstwerk van Strawinsky is klaar voor een andere bestemming.